Hé daar, welkom bij Dutch Fluency. Dit is Rick, klaar om samen met jou de Nederlandse taal op A1 niveau te ontdekken. De man werkt. De vrouw werkt ook. Ze werkt in een kinderopvang. Er zijn veel kinderen in de kinderopvang. Het is winter. Veel kinderen zijn ziek. Ze hebben koorts. Maar de ouders brengen de kinderen naar de kinderopvang. Dat is niet goed. De vrouw zegt: "Kinderen met koorts mogen niet komen." Maar de ouders luisteren niet. Ze brengen de kinderen toch. De vrouw is boos. Ze belt de ouders. Ze zegt: "Kom je kind halen. Je kind is ziek." Maar de ouders zeggen: "Sorry, ik kan niet komen. Ik werk." De vrouw is boos. Ze zegt: "Dat is niet goed. Nu zijn alle kinderen ziek. Nu zijn alle ouders boos. Nu moeten alle ouders thuis blijven. Dat is niet eerlijk." De vrouw is ziek. De man is ook ziek. Ze liggen in bed. Ze hebben koorts. Ze zijn boos. De vrouw heeft een idee. Ze zegt: "In China, de leraren controleren de kinderen. Ze hebben een thermometer. Kinderen met koorts mogen niet naar school. Dat is een goed idee. We moeten dat ook doen." De man zegt: "Ja, dat is een goed idee. We moeten dat ook doen. Kinderen met koorts moeten thuis blijven. Dat is beter voor iedereen." De vrouw zegt: "Ja, dat is beter. Kinderen met koorts moeten thuis blijven. Ouders moeten luisteren. Dat is belangrijk." De man en de vrouw zijn ziek. Maar ze hebben een goed idee. Ze willen dat de kinderopvang beter wordt. Ze willen dat de kinderen gezond zijn. Ze willen dat de ouders luisteren. Dat is belangrijk. Dankjewel voor je aandacht vandaag. Morgen gaan we vol energie verder met onze Nederlandse reis, tot dan!