Hé daar, ik ben Rick van Dutch Fluency. Laten we samen het avontuur van de Nederlandse taal op niveau A1 aangaan! Er is een man. De man is boer. Hij heeft veel dieren. Hij heeft koeien, hij heeft varkens. De man is goed. Hij werkt hard. Hij werkt op zijn boerderij. De man wil meer dieren. Hij wil meer koeien, hij wil meer varkens. Maar er is een probleem. De dieren maken stikstof. Stikstof is niet goed. Stikstof is slecht voor het milieu. De overheid zegt: "Je mag niet meer stikstof maken." De overheid zegt: "Je mag niet meer dieren hebben." De man is verdrietig. Hij wil meer dieren. Hij wil meer werk. Maar dan is er goed nieuws. De overheid verandert de regels. Nu mag de man meer stikstof maken. Nu mag hij meer dieren hebben. De man is blij. Hij koopt meer koeien, hij koopt meer varkens. Maar er is ook slecht nieuws. Er is niet genoeg stroom voor de huizen. De bouw van nieuwe huizen stopt. De mensen zijn boos. Ze willen nieuwe huizen. Ze willen stroom. De man is in de war. Hij heeft meer dieren, hij heeft meer werk. Maar de mensen zijn boos. Ze hebben geen huizen, ze hebben geen stroom. De man vraagt zich af: "Is dit goed? Is dit slecht?" De man kijkt naar zijn dieren. Hij kijkt naar de koeien, hij kijkt naar de varkens. Hij ziet de stikstof. Hij ziet het probleem. De man wil helpen. Hij wil goed zijn. Hij wil minder stikstof maken. Hij wil dat de mensen huizen hebben. Hij wil dat de mensen stroom hebben. Dus de man maakt een plan. Hij gaat minder dieren hebben. Hij gaat minder stikstof maken. Hij gaat de stroom helpen. Hij gaat de huizen helpen. De man is blij. Hij helpt de mensen. Hij helpt de dieren. Hij helpt het milieu. En hij heeft nog steeds werk. Hij is nog steeds een boer. En dat is goed. Dat is heel goed. Geweldig, je hebt weer een stap gezet op je Nederlandse reis! Morgen gaan we samen nog meer ontdekken, tot dan!