Hallo, hier is Rick van Dutch Fluency, samen gaan we de eerste stappen zetten in de wondere wereld van de Nederlandse taal op niveau A1. Ik heb een boek. Het boek is oud. Het boek is een kookboek. Het kookboek is uit 1934. Het kookboek heeft veel recepten. De recepten zijn kort. Ik lees het kookboek. Ik vind het kookboek goed. Ik vind het kookboek interessant. Ik zie woorden in het kookboek. De woorden zijn oud. De woorden zijn anders. Ik zie het woord 'vleesch'. Nu schrijven wij het woord 'vlees'. Ik zie het woord 'visch'. Nu schrijven wij het woord 'vis'. Ik vind het leuk om de oude woorden te zien. Ik heb een recept uit het kookboek. Ik ga het recept maken. Ik heb vlees nodig. Ik heb vis nodig. Ik ga naar de winkel. Ik koop het vlees. Ik koop de vis. Ik ga naar huis. Ik maak het eten klaar. Ik kook het vlees. Ik kook de vis. Het ruikt goed. Ik ben klaar met koken. Ik heb honger. Ik eet het eten. Het eten is lekker. Ik drink water bij het eten. Het water is koud. Ik vind het eten en het water goed. Ik praat met mijn vriend. Ik vertel over het kookboek. Ik vertel over het recept. Mijn vriend vindt het interessant. Mijn vriend wil ook het kookboek zien. Ik laat het kookboek zien. Mijn vriend leest het kookboek. Mijn vriend vindt het kookboek ook goed. Mijn vriend wil ook een recept maken. Wij maken samen een recept. Wij hebben plezier. Wij lachen. Wij praten. Wij koken. Wij eten. Het is een goede dag. Het oude kookboek brengt plezier. Het oude kookboek brengt vrienden samen. Het oude kookboek is goed. Het oude kookboek is interessant. Dankjewel voor je toewijding vandaag. Morgen wacht ons meer Nederlands avontuur!