Hoi, ik ben Rick van Dutch Fluency. Samen duiken we in de prachtige wereld van de Nederlandse taal op niveau A1. Er is een man. De man is in het Europees Parlement. Hij werkt daar. Het is zijn werk. De man heeft een vraag. "Wat is een veggieburger?" vraagt hij. Niemand weet het. Ze zoeken op het internet. "Is het eten?" vraagt een vrouw. "Ja, het is eten," zegt de man. "Is het vlees?" vraagt een kind. "Nee, het is geen vlees," zegt de man. "Het is een hamburger zonder vlees." "Maar een hamburger heeft vlees," zegt de vrouw. "Ja, dat klopt," zegt de man. "Maar dit is een veggieburger. Het heeft geen vlees." De vrouw begrijpt het niet. Het kind begrijpt het ook niet. "Is het goed?" vraagt het kind. "Ja, het is goed," zegt de man. "Het is gezond." De vrouw en het kind kijken naar de man. Ze begrijpen het nu. "Dus het is een hamburger zonder vlees," zegt de vrouw. "Ja," zegt de man. "Het is een hamburger zonder vlees." Nu hebben ze een nieuw woord. Het is een veggieburger. Ze zijn blij. Ze leren iets nieuws. Ze gaan naar huis. Ze gaan een veggieburger eten. Maar er is een probleem. Het Europees Parlement wil het woord 'veggieburger' verbieden. Ze willen dat het 'sojaschijf' heet. De man is boos. "Dat is een slecht idee," zegt hij. "Het is een veggieburger, geen sojaschijf." De vrouw en het kind zijn het met hem eens. Ze willen dat het 'veggieburger' blijft. Ze gaan terug naar het parlement. Ze gaan vechten voor de veggieburger. Het is een lange dag. Ze zijn moe. Maar ze geven niet op. Ze willen de veggieburger redden. Ze gaan naar huis. Ze zijn blij. Ze hebben de veggieburger gered. En de man? Hij is ook blij. Hij gaat naar huis. Hij gaat een veggieburger eten. En hij noemt het geen sojaschijf. Het is een veggieburger. En dat blijft het. Prachtig hoe je vandaag weer hebt geleerd. Neem deze motivatie mee naar morgen, tot de volgende keer!