Hallo, ik ben Rick van Dutch Fluency. Samen gaan we vandaag de wondere wereld van de Nederlandse taal verkennen op niveau A1. Er is een man. De man heet Jan. Jan is belangrijk. Jan werkt in de zorg. De zorg is zwaar werk. Jan werkt hard. Hij helpt mensen. Jan is blij. Hij houdt van zijn werk. Maar Jan is ook een beetje verdrietig. Hij zegt: "De zorg heeft het zwaar." Er zijn veel partijen. De partijen willen minder geld geven aan de zorg. Maar er zijn twee partijen die dat niet willen. De partijen heten GroenLinks en PvdA. Zij zeggen: "Wij willen meer geld geven aan de zorg." Jan vindt dat goed. Hij zegt: "Als jij de zorg belangrijk vindt, moet je op GroenLinks of PvdA stemmen." Er zijn veel mensen. De mensen lezen wat Jan zegt. Zij vinden de zorg ook belangrijk. Zij zijn het eens met Jan. Zij stemmen op GroenLinks of PvdA. Zij geven de partijen veel stemmen. GroenLinks en PvdA krijgen 477 stemmen. Jan is blij. Hij zegt: "Dank je wel, mensen!" Maar er zijn ook andere mensen. Zij zijn het niet eens met Jan. Zij zeggen: "Wij willen minder geld geven aan de zorg." Zij stemmen niet op GroenLinks of PvdA. Zij geven de partijen geen stemmen. Jan is een beetje verdrietig. Maar hij zegt: "Dat is oké. Jullie hebben ook een stem." Jan praat veel over de zorg. Hij praat op het werk. Hij praat thuis. Hij praat op de straat. Hij praat op sociale media. Jan zegt: "De zorg is belangrijk. Wij moeten de zorg helpen." De mensen luisteren naar Jan. Zij zeggen: "Ja, Jan. De zorg is belangrijk. Wij moeten de zorg helpen." Jan is blij. Hij zegt: "Dank je wel, mensen!" Hij gaat verder met zijn werk. Hij helpt mensen. Hij is een goede man. De mensen houden van Jan. Zij zeggen: "Dank je wel, Jan!" Jan lacht. Hij zegt: "Graag gedaan, mensen!" Je hebt het fantastisch gedaan vandaag. Neem deze positieve energie mee naar morgen, tot ziens!