Hallo en welkom! Ik ben Rick van Dutch Fluency, klaar om samen de eerste stappen in de Nederlandse taal op niveau A1 te zetten. In het bedrijf werkt een man. Hij heet Jan. Jan heeft een auto. Elke dag gaat Jan naar zijn werk. Hij werkt op een computer. Jan is blij. Hij vindt zijn werk goed. Op een dag ziet Jan een reclamebord. Het is een interessant reclamebord. Op het reclamebord staat: "Eten met je collega, ondanks verschillende dieetvoorkeuren." Jan is verbaasd. Hij denkt: "Is dat onmogelijk?" Jan heeft een collega. Zij heet Lisa. Lisa eet geen vlees. Zij is een vegetariƫr. Jan eet wel vlees. Hij vindt vlees lekker. Elke dag eten Jan en Lisa samen. Zij eten op het werk. Jan eet vlees. Lisa eet geen vlees. Maar zij eten samen. Zij vinden het goed. Jan kijkt naar het reclamebord. Hij denkt na. Hij vraagt: "Zou ik mijn dieet veranderen? Zou ik geen vlees eten? Kan ik dan nog steeds met Lisa eten?" Jan beslist. Hij gaat niet veranderen. Hij gaat vlees eten. Maar hij wil nog steeds met Lisa eten. Hij zegt tegen Lisa: "Wij hebben verschillende dieetvoorkeuren. Maar wij kunnen nog steeds samen eten." Lisa is blij. Zij zegt: "Ja, dat is goed. Wij kunnen samen eten. Wij zijn collega's. Wij werken samen. Wij kunnen ook samen eten, ondanks onze verschillende dieetvoorkeuren." Jan en Lisa eten elke dag samen. Zij praten en lachen. Zij drinken koffie. Zij hebben een goede tijd op het werk. Jan denkt aan het reclamebord. Hij lacht. Hij denkt: "Het is niet onmogelijk. Wij kunnen samen eten, ondanks onze verschillende dieetvoorkeuren." Jan is blij. Hij houdt van zijn werk. Hij houdt van eten met Lisa. Hij houdt van zijn auto. Hij houdt van zijn leven. Het leven van Jan is goed. Het werk van Jan is goed. Het eten van Jan is goed. Alles is goed. Jan is blij. En dat is het belangrijkste. Heel fijn dat je er vandaag bij was. Verheug je op morgen voor nog meer Nederlands plezier!