Podcast over de geschiedenis van de Universiteit Twente
In deze podcastserie duiken we in de vroege geschiedenis van de Universiteit Twente, toen nog bekend als de Technische Hogeschool Twente. Je hoort persoonlijke verhalen van alumni en oud-medewerkers, rechtstreeks afkomstig uit ons Oral History-project. De interviews, afgenomen door voormalige UT-medewerkers, leveren waardevolle en vaak nieuwe inzichten op in het studentenleven op de campus in de beginjaren. Ga mee terug in de tijd en ontdek de wortels van onze universiteit.
In februari 2024 werd de eerste fase van het Oral History Project succesvol afgerond. Sinds medio 2023 zijn 21 alumni geïnterviewd die tussen 1964 en 1973 aan de Technische Hogeschool Twente studeerden. De interviews zijn gehouden door Marjan Beijering (externe projectleider), in samenwerking met een enthousiaste groep vrijwilligers – allen oud-medewerkers van de UT en lid van GEWIS – en Martin Bosker van het Videoteam. Het project staat onder supervisie van Wiljan Puttenstein, afdelingshoofd LISA-ADM.
Caitlin Bakker en Lisanne Blommers, studenten Communicatiewetenschap aan de faculteit BMS, maken op basis van deze interviews een serie podcasts.
In juni 2024 is fase twee van het project van start gegaan. Hierin worden oud-studenten geïnterviewd die in de periode 1974–1986 aan de UT studeerden.
Meer informatie over het academisch erfgoed van de Universiteit Twente is te vinden op deze pagina:
Als een oase van rust bleef het landgoed Drienerlo ongerept de noordkant van de weg Enschede-Hengelo beheersen.
Welkom bij de podcast over de geschiedenis van de Universiteit Twente.
Toen nog bekend als de TH of THT.
In deze serie hoor je verhalen van oud-studenten en medewerkers rechtstreeks uit ons oral history project.
Ga mee terug naar de beginjaren van de campus en ontdek de wortels van onze universiteit.
In deze aflevering bespreken we hoe vier studenten uit de jaren zestig de basis hebben gelegd voor disputen, sport en studieverenigingen in Enschede.
Wat het thema van vandaag ook is.
Deze zijn vandaag de dag nog steeds zichtbaar en levendig.
De interviews zijn opgenomen vanuit het Oral History Project.
Vanuit die opnames hebben we een aantal quotes geselecteerd.
Die ga ik samen met Herman Koppelman bespreken.
Die zelf in 1970 begon met studeren aan de THT.
Hoe ben je uiteindelijk terechtgekomen bij het Oral History Project?
Nou ja, behalve dat ik hier gestudeerd heb, heb ik hier ook een aantal jaren gewerkt.
30 jaar zelfs.
Dus ik heb altijd wel mijn belangstelling voor de campus gehouden.
Dus toen de oproep kwam van wie heeft zin om hier aan mee te doen, heb ik mij daarvoor aangemeld.
En ik heb diverse interviews gedaan.
Bijvoorbeeld ook met Jan Haars, die straks nog uitvoerig te sprake zal komen.
Ja, leuk. Dus het is wel leuk dat je die hebt geïnterviewd.
En dat je nu eigenlijk weer over Jan Haars kan hebben.
Dus we kunnen wel spreken.
Net zoals de andere heren die geïnterviewd zijn.
Dat jouw band met de universiteit eigenlijk nog steeds bestaat.
Dat bestaat nog steeds.
Dat kun je zien aan het feit dat ik hier nog steeds aan mee blijf doen.
Ja, van 1970 naar 2025.
In deze aflevering bespreken we vier heren.
Die veel voor de universiteit hebben betekend.
Dirk van Sloten kwam vlak na de oprichting bij het Herendispuut Knudde.
Waar hij onder andere het Knudde Gala organiseerde.
Een traditie die nog steeds voortleeft.
Jan Haars legde met zijn betrokkenheid bij tennisvereniging Ludica en studievereniging Abbekus de basis voor sportieve en academische evenementen.
Waaronder grote sporttoernooien en creatieve stunts zoals het Loch Ness Monster.
Bij de opening van het wiskundengebouw, wat tegenwoordig de kubicus is.
Jan Wesseldijk speelde een belangrijke rol in de ontwikkeling van de hockeyclub.
Waar hij als voorzitter bijdroeg aan het realiseren van de boortoren als clubhuis.
Kees van der Graaf gaf als voorzitter bij de zaalvereniging Euros richting aan de groei van de club.
En wist zelfs financiële steun van de heer Drijver te verkrijgen voor nieuw materiaal.
Zij legden tradities en structuren die het studentenleven in aan de Universiteit Twente tot op de dag van vandaag vormgeven.
Herman, deze aflevering gaan we de sputen, sport en studievereniging bespreken.
Heb jij in je studietijd ook bij een vereniging gezeten?
Ik heb bij sportverenigingen gezeten. Ik heb na een aantal jaren gevolleybald bij H&B.
En ik heb een paar jaar geschaatst bij de Skeuvel.
Ja, die bestaan allebei ook nog steeds, toch?
Die bestaan allebei nog steeds, ja.
Ja, volgens mij heb ik één of twee keer geschaatst bij de Skeuvel.
Ja, in de tijd moest je naar Deventer.
Er was dichtstbij zijn, de kunstijsbaan.
Oh, dan zit hij nu wel een stuk dichterbij met de fiets te doen.
Ik heb zelf bij Audence gezeten, bij de studentenvereniging.
Maar toen de tijd had je die nog niet, want die zit in de stad.
En ik ben ook actief geweest bij studievereniging Link.
Maar dat was mijn hbo tijd voordat ik naar de universiteit kwam.
Dan gaan we eerst beginnen met Dirk van Sloten.
Dirk is geboren in Leerwoorden in 1949.
En twintig jaar later kwam hij bij de THT terecht nadat hij eerst in dienst was geweest.
Toen de tijd had je de keuze om in dienst te gaan voor of na je studie.
En hij komt uit een gezin met vier kinderen.
Het gezin was enorm sportief met meerdere fanatieke zijders op hoog niveau.
Dirk heeft zelf negen en een half jaar over zijn studie gedaan.
Niet omdat hij een laxestudent was, maar omdat hij allerlei dingen organiseerde tijdens zijn studententijd.
Een van die dingen bestaat nog steeds.
Het Kundengala.
Dirk is momenteel het oudste lid en ambassadeur van de universiteit.
In het interview zegt Dirk dat hij van tevoren al wist dat hij niet nominaal zou gaan studeren.
En dat hij daarom besloot eerst in dienst te gaan.
Wat houdt dat in?
Je kreeg uitstel van militaire dienst als je studeerde.
Maar het was niet zo dat de minister eindeloos geduld had.
Dus als je lang genoeg studeerde, dan zei de minister alsnog, kom maar even langs.
Dan moest je dus je studie onderbreken.
Dus ik denk dat Dirk dat wilde vermijden.
En dat dat de reden is waarom hij eerst ging studeren.
Want nominaal afstudeeren is dat je het in vier jaar of vijf jaar afmaakt?
Ik weet het precies aantal niet meer.
Het was niet nominaal, maar als je maar lang genoeg erover deed, dan werd je alsnog opgeroepen.
Oké, dan snap ik het wel met negen en een half jaar, als je zoiets verwachtte.
Wat Dirk ook in zijn interview benoemd, is het eenhoornmysterie.
Wat weet jij daarvan af?
Nou ja, ik heb dat nog eens nagezocht.
En ik kan net als Dirk jezelf al aangeeft.
Ik kan ook niet de oorsprong vinden van de relatie tussen de eenhoorn en de campus.
Maar ik dacht eigenlijk ook wel van, is het eigenlijk niet veel mooier als dat een mysterie blijft.
Liever dan dat je precies weet waar het vandaan komt.
Vind ik ook wat van te zeggen, want hij zei ook in dat interview van,
Degenen die het zouden moeten weten.
Die leven niet meer.
Dus nu blijft het dan na 60 jaar.
Gewoon nog steeds een mysterie.
En het enige wat ik er dan over weet.
Is dat het eenhoorn in het logo voorkomt.
Van de Spuut Knudde.
Tennisvereniging Lugidica.
En de hockeyvereniging DHC.
Maar ik vind het dan wel heel gek.
Dat drie verenigingen hebben een eenhoorn.
Maar niemand weet waar het vandaan komt.
Terwijl het niet uit de lucht vallen lijkt mij.
Ik vrees dat altijd.
Misschien hoop ik wel.
Dat het altijd een mysterie zal blijven.
Het is wel iets wat nog steeds leeft.
Wat Dirk denk ik ook gaat vertellen.
Is dat nog vorig jaar 2024.
Knudde een standbeeld van Inhoorn.
Heeft aangeboden aan de universiteit.
Ik wil het wel zeggen.
Drie keer raden wat voor beeld er geschonken is.
Door Knudde aan de universiteit.
Dat vind ik juist wel mooi.
Dat het dispuut.
Dat dat sinds 1960 nog steeds zo verbonden is.
Aan de universiteit.
Ze hebben in 1960 dan wel echt.
Een community gebouwd.
Die hele connectie leeft nog steeds.
En niet alleen met Knudden, maar ook met andere verenigingen.
Ik denk dat de universiteit dat wel heel goed doet.
Als Knudden zelfs een heel beeld schenkt.
Nou, dat vind ik wel echt wat zeggen over de verbondenheid met de verenigingen.
In de introductie komt het al naar voren.
Activiteiten die Dirk heeft georganiseerd tijdens zijn studententijd.
Nu gaan we even luisteren uit een stukje van zijn interview.
Eerstejaars worden met een bierkar naar Enschede geleid.
Initiatief van een van de eerste leden van Knudden.
Die met een bakfiets.
En twee kratjes.
Uit de stad gefietst is.
Met een paar studenten.
Op Noorberdag.
Hebben ze dus.
Wij noemen het Noorberdag.
Maar het is Nederland maakt schoon.
Heeft Knudden dus het initiatief genomen.
Om droesting te gaan helpen.
En een check te overhandigen.
En we hopen dat dat nu uitgroeit tot een jaarlijks terugkeerend festijn.
Waarbij steeds meer studenten iets gaan doen voor de Noopers.
Want het is toch wel een beetje een eigen, hoe noem je dat?
Community.
Men leeft hier, men studeert hier en dan zijn ze weer weg.
Allemaal dat soort dingen.
Galafeesten, één keer in de vijf jaar.
Van 1970 af dus.
Eerst jaarlijks.
Later hebben we daar vijf jaarlijks van gemaakt.
Want het was niet meer te doen.
Financieel ook niet.
Het zijn langzamerhand grote en dure feesten.
Maar wel iedereen in Black Tie.
En dat gebeurt gewoon.
Nou allemaal dat soort dingen.
Moeten een keer gestart zijn.
Ja.
Nou.
Merendeel heb ik gevonden.
Maar dan had je dus echt wel een soort eeuwige band met de campus gekregen.
Ja, heb ik ook.
Want ik ben nu nog steeds ambassadeur van deze universiteit.
Ja, en wat Dirk zegt, met de bierkrachtjes lopen.
Ik heb daar zelf ook aan meegedaan.
Heb jij dat ook als student meegelopen?
Ik kan me dat niet herinneren.
Nee, dat is echt leuk.
Maar ik wist helemaal niet dat dat zo begonnen was.
Zo klein eigenlijk.
Maar tegenwoordig is dat in de kick-in.
Dan heb je één van de avonden.
Dan loop je mee met de studenten vanaf de universiteit naar de stad.
En dan gaat iedereen daar naar de stad in.
Maar dat is tegenwoordig een bus.
En er loopt echt honderden studenten achter.
Iedereen krijgt bier.
Er zit gewoon met bier.
Loopt iedereen.
Achter een grote touringcar aan de straten worden ook afgezet.
Of buslijn.
En dan loop je met z'n allen naar de stad.
En dat is echt superleuk.
Maar dat dat begonnen was met een biercar.
Nou echt.
Dat dat nog steeds bestaat en steeds groter wordt.
In mijn introductietijd was het veel meer gericht intern op de campus.
Ik kan me niet herinneren dat we activiteiten hadden buiten de campus.
Dus niet in de stad.
Oh oké.
Ik weet ook niet meer wat er precies daarna gebeurt.
Volgens mij gaan we dan de stad in of gingen we dan de stad in.
Maar ik vind het wel leuk dat Dirk dat zo klein heeft verzonnen en bedacht.
En dat dat nu nog steeds gebeurt, maar dan veel groter.
En hoe belangrijk denk je dat zulke tradities blijven bestaan of juist uitgroeien eigenlijk?
Het past natuurlijk wel in zo'n toch tamelijk conservatieve club als Knudde is.
Want in die hoek mogen we toch wel plaatsen denk ik.
En dat soort clubs die koesteren vaak hun tradities.
En dat heeft natuurlijk ook al wat.
Dat die tradities jarenlang blijven bestaan.
Ja, ik vind dat ook.
En ook dat dat dan zo uitgroeit.
Dat vind ik ook wel echt heel leuk.
Een hele oude traditie die we nog steeds doen op de universiteit.
Dan gaan we dan weer naar Jan Haars.
Jan Haars kwam in 1969 naar de universiteit toen hij slechts 16 jaar oud was.
Zijn ouders waren verkocht nadat zij zagen dat er toegangsslagbomen waren op de campus.
Je kon dus niet zomaar het terrein betreden.
Zijn ouders waren fysiotherapeuten die woonachtig waren in Friesland.
In 1969 begon hij aan de opleiding Toegepaste Wiskunde.
Tijdens zijn opleiding is hij ook bestuurslid geweest bij de studievereniging Abakus.
Wat hem nog dichterbij de opleiding bracht.
Herman, jij hebt hem geïnterviewd.
Wat is je het meest bijgebleven?
Wat het meest is bijgebleven is de locatie van het interview.
Want dat was, moet ik het even goed zeggen, de koninklijke industriele grote club.
Die hebben een sociëteit in Amsterdam, midden in Amsterdam, op de Dam.
Met uitzicht op het monument.
En dat is een besloten source voor de captains of industry, zeg maar.
Oké.
Ik liep er toen ook anders bij dan ik nu hier zit.
Dat is ook een dresscode die ze daar hadden.
En nou ja, Jan die past daar wel.
Want hij hoort ook echt wel tot de captain soft-industrie in Nederland.
Hij heeft in directies vaak de financiën gedaan.
Hij heeft gewerkt in die hoedanigheid bij Unilever, Rabobank, Boscalis en noem nog maar een paar van die bedrijven.
Hij heeft het wel gemaakt.
Hij heeft het wel gemaakt.
En hij is ook nog commissaris geweest bij Ajax.
Oh, wat leuk!
Ik ben zelf ook wel echt een voetbalkijker.
Dat vind ik wel echt een goede...
Dus hij heeft Cruyff persoonlijk meegemaakt.
Oh, wat goed.
Nou, ik zou dan daar onder de indruk zijn.
Maar die locatie, dat klinkt wel echt heel vet.
Wat leuk dat hij dat geregeld heeft.
En voor die beeld, wij zitten dus nu gewoon in een trui.
Dus niet zo netjes in pak zoals ze toen waarschijnlijk zaten.
Hij was lid van zowel de hockeyvereniging, DHC, als de tennisvereniging Ludica.
En na zijn eigen zeggen was hij dan actiever bij Ludica.
En daar was hij ook één of twee jaar daarvoorzitter.
En dat ze toenertijd hebben ze heel erg geprobeerd om de club op hoger niveau te tillen.
En daarvoor hadden ze dus vrouwen nodig.
Maar die waren er toen nog niet echt op de universiteit.
En daarom probeerden ze dus vrouwen van buitenaf lid te maken.
Hoe deden verenigingen dat?
Hoe het sportvereniging ging weet ik niet.
Maar ik weet wel dat als er feesten waren.
Dan ging men langs bijvoorbeeld de verpleegstersflat in Enschede.
Macandra heette dat in de tijd.
Misschien nog steeds wel.
En nou ja, daar hadden ze het ongekeerde probleem zal ik maar zeggen.
Want die daar bestand voor alle vrouwen.
En ongekeerder anders ook als de verpleegsters een feest hadden.
Dan ging men op de UT op zoek naar genoeg mannelijke studenten.
Slim. Ja, het is wel creatief.
Ja, slim.
En wat hij dan ook zegt was dat ze een A-toernooi hadden georganiseerd.
Met de beste spelers van Nederland.
En dat ze toen de dochter van Abe Lentstra, die vroeger bij Heerenveen heeft gevoetbald,
hebben kunnen strikken om mee te spelen.
En dat als Jan zulke grote sporttoernooien wist te organiseren
en dan de dochter van Abe Lentstra wist te strikken om mee te spelen.
Hoeveel invloed had dat toen op het sporttoernooi?
Nou ja, volgens mij heeft Abe Lentstra ook nog in Enschede gevoetbald.
Oh, echt? Oké.
Even dat terzijde.
Ik denk wel dat sportverenigingen belangrijk waren in de tijd.
Want we hebben het over de tijd dat er nog geen studentenverenigingen waren.
Dus voor de gezelligheid en voor de contacten, sociale omgeving.
Sommigen gingen daarvoor dus naar de sportverenigingen.
Je kon natuurlijk ook bij de studievereniging aansluiten.
Dat was gewoon een andere tijd waarin sportverenigingen belangrijk waren voor je sociale contacten en de gezelligheid.
Ja, ik kan me ook wel voorstellen dat je dan juist naar zo'n sportvereniging gaat.
Want het is dan niet alleen leuk, maar het is ook nog gezonder.
Ja, super cool dat het hun dat heeft gelukt om zo'n toernooi dan neer te zetten.
Dan gaan we naar de studievereniging Abacus.
En tijdens zijn bestuursjaar in 1973 bij Abacus werd het wiskundegebouw geopend.
Wat dan nu de kubicus is.
En toen hebben ze namens de studievereniging een stunt uitgevoerd.
En nu gaan we even luisteren naar wat Jan over die stunt te vertellen heeft.
Dat is maar één element natuurlijk.
Maar dat zal ik nooit vergeten.
De opening van het wiskundigebouw.
Want dat werd toen gebouwd.
En dat werd op het begin geopend.
Maar dat was in jouw jaar.
Ja, in mijn jaar.
Ik heb dit nagezocht, volgens mij was je in de 73 voorzitter.
Oké.
Daar hou ik ze allemaal keurig bij.
Ja, wat goed.
Waar heb je een rol bij gespeeld als abacus?
Ja, want wij moesten een stunt, we hebben een stunt verzonnen.
En die stunt had er iets mee te maken.
Het feit dat er een enorm grote vijver was voor dat gebouw.
En wat wij bedacht hadden was dat er dus een soort van monster van Loch Ness zich tijdens de opening zou ontplooien.
Ja, ontplooien maar in ieder geval zou manifesteren.
Die dus verborgen was in de vijver van ons gebouw.
En dus tijdens de opening naar boven zou gaan.
En daarna ook weer in elkaar zo'n zak, voor eeuwig verdwijnen of zoiets.
Dus daar hebben wij, we hebben daar heel lang over nagedacht.
Ik geloof dat we ook nog wel andere studenten met meer technische vaardigheden hebben gebruikt.
Dat was natuurlijk op zichzelf heel eenvoudig.
We hadden een geweldige opblaaspop als het ware in de vorm van dat monster.
En die hadden we op de bodem gelegd met grote stenen en erop en zo.
En vervolgens zijn we hem op enig moment gaan opblazen.
kan je dat herinneren?
want jij studeerde toen toch al?
ik studeerde en zelfs toegepaste wiskunde
ik moet tot mijn schande bekennen
dat ik hier geen herinneringen aan heb
ik heb wel even nagekeken
en volgens mij heeft deze stunt ook niet de geschiedenisboeken
gehaald, want ik kon daar verder niet meer
geen verhalen over vinden
wat misschien nog wel aardig is om te vertellen
is dat er ook een officieel kunstwerk was
bij de opening van dat gebouw
en dat was een kunstwerk dat heeft meer dan
een ton gekost, meer dan 100.000 gulden
Met een officiële kunstenaar.
En dat had ongeveer hetzelfde idee.
Dat was een groot vierkant ding.
Van tien bij tien meter.
Een stalen ding.
En de bedoeling daarvan was dat het op de bodem van de vijver zou gaan liggen.
Maar op gezette tijden.
Door toeval bepaald.
Daarboven zou komen.
Het zou me niet verbazen als die stunt.
Als die daarop geïnspireerd is.
Oh dat hebben ze dan wel leuk gedaan.
Of stukken goedkoper.
Maar dat officiële kunstwerk is trouwens niet goed afgelopen.
Het is een paar keer naar boven gekomen.
En vervolgens is het roerlos op de bodem van de vijver blijven liggen.
Het heeft daar decennia lang gelegen.
En het is nog niet zo heel lang geleden.
En is het als een hoop oud roest van de bodem gehad.
Oh, wat zonde.
En er zijn nog best wel kritische vragen over gesteld.
Dat heeft nog 100.000 gulden gekost.
En zitten niet eens goed in elkaar.
Nee, precies.
Ze zijn nu wel het hele gebouw aan het restaureren.
Dus als je dat dan een keer uithaalt.
Maar dat dat een ton kost en het licht hebt op de bodem.
Een beetje zonde.
Bij Jan Haars.
Hij gaat het ook nog even hebben over de boortoren als clubhuis.
Ik ga even een stukje voorlezen wat op de website van de universiteit staat.
Tot 1963 gebruikte de Koninklijke Nederlandse zoutindustrie.
De voorloper van Axonopel.
Boortorens om zout te winnen uit de Nederlandse bodem.
Er stonden tientallen torens door heel Nederland.
Waarvan veel in Twente.
Na 1963 zijn de meeste torens afgebroken.
Op drie exemplaren na.
Twee van die boortorens zijn nu een rijksmonument.
De derde staat op de campus en die dient als clubhuis.
De boortoren is geschonken in 1969 door Axel Nobel.
En het is het clubhuis van de DHC, de hockeyvereniging.
Jan Haars heeft die boortoren geregeld met zijn bestuur als clubhuis.
En zij hebben dus zelf Axel Nobel benaderd.
En de boortoren is er ook nog steeds.
Hier gaan we het trouwens ook later weer over hebben.
Maar weet jij of ze het gewoon mochten houden?
Of omdat het anders toch werd afgebroken?
Nou, ik ben daar niet in details op de hoogte, maar ze mochten het houden inderdaad.
Ja, leuk geregeld. Even een belletje van hallo.
Nou, oké. Nou, ik vind het wel heel cool dat dat echt een clubhuis is geworden.
Eigenlijk zonder om het af te breken als er toch een clubhuis moet zijn.
En waarom denk je dat dat dan zo belangrijk was voor de hockeyclub om dat te hebben?
Nou ja, we hadden het net al even over gehad dat een hockeyclub, sportverregeling in het algemeen,
maar zeker de hockeyclub, dat die niet alleen van belang is om één of twee of drie keer in de week met een stik tegen een puk te slaan,
maar dat ook de sociale activiteiten ook heel belangrijk zijn.
En ik denk zeker voor de traditionele sportverenigingen zoals hockey, roeien en tennis, dat het daarvoor geldt.
Want dat is, nou ja, dan hoor je ergens bij als je daarbij zit.
Wordt op een bepaalde manier tegen je aangekeken.
En als je weet dat iemand een roeier is of een hockeyer, dan heb je al een bepaald beeld van iemand.
Het is bepaald voor een deel je identiteit.
Om als een moderne begrip te gebruiken.
En ik denk dat het ook niet toevallig is dat juist de hockeyvereniging zo'n clubhuis heeft.
Trouwens net zoals de tennisvereniging.
Die een eigen clubhuis heeft.
En ook de roeivereniging.
Dus ja, dat past er wel bij.
Het heeft gewoon een bepaalde uitstraling zo'n hockeyclub.
Ja, ik ben met Ludica en Euros ook niet heel bekend.
Maar met de DAC wel.
Ik heb meerdere vrienden die daar spelen.
En het is ook wel echt heel open.
Want ik hockey niet of ik ben daar nooit.
Maar als we dan daar komen om te borrelen, dan is het heel open.
En er komen ook altijd mensen kijken.
Super leuk hoe open dat eigenlijk is.
Dan gaan we naar de derde persoon in deze podcast.
Jan Wesseldijk.
Ook hij heeft te maken gehad met de boortoren.
Jan Wesseldijk kwam in 1965 naar de universiteit.
Hij kwam uit een dominees gezin en zijn moeder werkte niet.
Eerlijkheid was heel belangrijk in de familie.
Daarnaast had het gezin door de functie van zijn vader een voorbeeldfunctie.
De familienaam was erg belangrijk.
Het was een intellectueel ingesteld gezin waar veel werd gelezen, gepraat en gediscussieerd.
Jan had een oudere broer en een jonger zusje.
Hij is geboren in Alkmaar, maar toen hij vier was is de gezin verhuisd naar Enschede.
Dat heeft niets te maken gehad met de keuze om te gaan studeren in Enschede.
Hij vond de universiteit gewoon een hele nieuwe, iets wat Amerikaanse ideeën hebben van hoe een universiteit eruit zou moeten zien.
Jan Wesseldijk was voorzitter van de hockeyclub tijdens zijn studententijd.
Dat is dus dezelfde club waar Jan Haars ook lid van was.
Daar waren vele initiatieven, bijvoorbeeld het bouwen en uitbreiden van het clubhuis, de Boortoren.
En over de uitbreiding hiervan gaan we even luisteren naar Jan zelf.
U was zelf in de tijd ook al die tijd eigenlijk lid van de hockeyclub ook hè?
Ja.
En wat speelde dat een belangrijke rol in uw leven?
Nou, ik vond dat wel plezierig.
Punt 1 is dat gewoon natuurlijk heel gezond om in beweging te blijven.
En om niet alleen maar bieren weg te werken op een dagelijks basis.
Dus dat vond ik eigenlijk heel plezierig.
En ook daar waren er initiatieven genoeg te nemen.
Dus we hebben toen een boorttoren, een zoutboorttoren gekregen van, ik denk van Axel of zo.
En dat gebouw werd al snel te klein, dus dan moest daar weer een stuk aan gebouwd worden.
Ik heb zelfs hier nog een fotoalbum liggen dat ik met nog een paar medeleden een telefoonlijn hebben gegraven van de straat naar de boordtoren die dan ergens een beetje in het bos verscholen stond.
Nou, je bent eigenlijk permanent met hele sociale dingen bezig.
En je voelt jezelf ook toch wel eens een vis in het water.
En je laat je ook verder niet door al die spelregeltjes, daar laat je je niks aan gelegen.
Ja, wat ik hier heel leuk aan vond, is dat ze gewoon zelf die telefoonlijn hebben aangelegd.
Zonder toestemming te vragen.
Ze dachten gewoon, ja, dit hebben we nodig, dus we leggen gewoon een telefoonlijn aan.
Maar waarom was het hebben van een telefoonlijn toen zo belangrijk?
Nou ja, de communicatie vond natuurlijk toen heel anders plaats dan nu.
Want een mobiele telefoon was er natuurlijk nog helemaal niet.
En de vaste telefoons waren er wel.
Maar bijvoorbeeld op de campusflats, daar had je met een hele flat met 12 of 14 studenten.
Was er één telefoon waar je wel mee gebeld kon worden, maar zelf niet mee kon bellen.
Dus je kunt je voorstellen dat de communicatie toen toch heel anders verliep dan tegenwoordig.
Die vond vooral schriftelijk plaats.
Dus ja, dan had je wel wat als je als boordtoren een sociëteit een eigen telefoonlijn had.
Dus dat betekende wel iets.
Ja, die liepen dan wel goed voor vergeleken met de rest.
Ik vind het echt wel leuk dat hij dan zegt, ja, we trekken ons daar niks van aan.
En wij denken dat we er nodig hebben, dus we doen het gewoon.
Dan gaan we door naar de laatste persoon in deze podcast.
Dat is Kees van de Graaf.
Hij was betrokken bij de zelfvereniging.
Kees geboren in 1950 in Goes.
Zijn vader was een verzekeraar.
Verder hebben zijn ouders niet gestudeerd.
Hij had een zusje, halfbroer en halfzus die tien jaar ouder waren.
Hij vond op de middelbare school mechanica leuk.
En werd gestimuleerd door een oom om zijn interesses door te zetten.
Kees wist van zichzelf dat hij snel afgeleid raakt.
En dat hij daarom hard zou moeten werken.
In Delft zou hem dat naar eigen zeggen niet lukken.
Eindhoven vond hij het veel Philips.
Maar de campus van de THT daarentegen vond hij anders en nieuw.
Tijdens zijn eerste bezoek aan de THT spraken alle studenten vol lof over hun tijd.
De algemene propedeuzen en de werkcolleges.
Hij raakte geïnspireerd en zijn tijd aan de THT begon niet veel later met de opleiding werktugbalkunde.
Samen met een vriend, Alexander Mackay, begonnen ze hun studie bijna als Siamese tweeling.
Waar de een was, was de ander ook te vinden.
Ook case heeft menig sportevenement georganiseerd.
Zo ook de sportkampioenen drie nolo voor eerstejaarsstudent uit heel Nederland.
Voor alle bedenkbare sporten.
En iedereen van buitenaf bleef dan op studentenhuizen slapen op de campus.
En in het derde jaar was Kees voorzitter van de zelfvereniging.
Voor ongeveer honderd leden.
Zowel studenten als medewerkers.
En volgens hem was de betrokkenheid heel groot.
Niet alleen bij studenten, maar ook bij overige universiteitsmedewerkers.
En nu gaan we ook even luisteren naar een stukje uit het interview met Kees.
Voorbeelden van hoe helpt dan de universiteit.
We moesten een mast maken.
Nou, masten kun je kopen.
Maar dan zijn ze meestal niet betrouwbaar.
Want we wilden het schip ook zeilend maken.
Toen mochten we in de hal van de werkplaatstechniek.
Van professor Dyer.
Mochten we de mooie planken die we op de kop hadden getikt.
Allemaal uitleggen en dan verlijmen.
En vastzetten.
Nieuwe plank door.
weer verlijmen, weer vastzetten.
En daarna met de daar beschikbare machines rondschaven en in vorm schaven,
want je wil stukken rechthouden, je wil stukken taps laten toelopen.
Dat mocht allemaal gewoon in het gebouw van de universiteit.
Diezelfde professor Draaier, die was ook een zeiler,
en die hield ontzettend veel van met bootjes bezig zijn.
En die had ook een bootje ontworpen.
en hij dacht, ha met die studenten
zelf, dan kan ik ze
misschien, ze kunnen met elkaar
een mal gaan maken, om daar
uiteindelijk
het bootje in die hout
te bouwen, de eerste keer, daaromheen
een mal te vormen
en die mal kunnen we dan
plastic bootjes
in gaan gieten
en dan maak ik een afspraak, als jullie helpen
dan krijgen jullie van mij
het oorspronkelijke
houten schip
en de eerste twee die uit de mal komen.
En hij had een afspraak met een werf, de HVM, gemaakt
dat zij, waren zo geïnteresseerd in het bootje,
dat wilden ze commercieel op de markt gaan brengen.
En onze afspraak is toen gestand gedaan
dat de Wetsjelvereniging twee van die boten uit die mal kreeg.
Nou ja, meneer Draaier, professor Draaier en Wiebe,
die hebben we heel veel gezien uit Draaier.
Want we werkten allemaal met hem samen.
En alle jongens van de zuivereniging hadden allemaal wel taken.
De een was meer aan het woonschip bouwen.
En de andere waren meer draaiertjesbouwers.
En dat waren gewoon werkploegen.
En werkte dan afhankelijk welke ploeg je zat.
Vele avonden.
En die mallen die werden ook nog eens een keer, die bootjes werden gebouwd.
In een van de hallen van chemie die nog stil stond.
Die nog leeg stonden.
Dus een stuk leegstand werd gewoon daarvoor gebruikt.
probleem was, betaalden we niks.
En op een gegeven moment, in het derde jaar
werd ik voorzitter van de Zijlvereniging.
En hoeveel jongens waren er toen lid?
60, 70, misschien 100 op een gegeven moment.
Maar ook wetenschappelijk medewerkers waren lid.
En geen professor, geloof ik.
Nee, die de meeste affiniteit met ons had,
was professor Drijver.
en die was meer
ik weet niet eens of hij
een gepensioneerde professor
was van een andere universiteit
maar die was heel erg betrokken bij het
universiteitsfonds. Het universiteitsfonds
bestond al lang voordat
de
th opgericht werd
dat was eigenlijk wel
daar zat het geld waarin de hele oprichting
denk ik ook voor een deel
gefinancierd is
en ik had een ledenvergaan
een bestuurs, nee
er was een vergadering uitgeschreven
waarin sportverenigingen
mochten pitchen
om materiaal te krijgen
voor hun vereniging
en daar was een behoorlijke soms
koud voor beschikbaar
en wij hadden twee sterrentjes
een klein zeilbootje
en wij wilden graag meedoen
naar de studenten teamzeilkampioenschappen
en om daaraan mee te mogen doen
moest je tenminste vier
bootjes hebben, dan twee tegen twee
maar liever drie tegen drie
Dus we hadden er aanvraag ingediend om nog twee van die sterntjes te kopen.
Nou, dat kostte dan, ik denk, 4000 euro gulden in zijn totaliteit.
En wij hadden gepitcht en iedere vereniging mocht gewoon zeggen wat ze wilden zeggen.
Wij vingen bot.
Ons project werd niet goedgekeurd door de toenmalige, maar ik weet niet wat het was, Sportraad denk ik dat het was.
En toen stond er iemand op achter in de zaal.
En die zei, kan de voorzitter van de zuilvereniging straks even bij mij komen praten?
Want ik denk dat ik wel weet hoe we die sterntjes wel naar jullie toe kunnen krijgen.
Nou, dat was professor Drijver.
En professor Drijver zei, hier heb je een cheque van hem persoonlijk.
En koop ze maar.
Dat zijn van die dingen die daar gewoon gebeurden.
Ik vond de term draaiertjesbouwers wel heel leuk.
Alleen moet je niet verwarren, want je hebt professor Draaier.
En hij was degene die hun hield met de mallen en de bootjes bouwen.
En dan had je de heer Drijver.
Drijver was, ik heb het nog even nagezocht.
Dat was een van de industriëlen.
Dat was niet de enige.
Want er waren meerdere personen uit de industrie.
Die hebben geholpen met de oprichting van de universiteit.
Of de hoogschool in de tijd nog.
Daar was hij dus een van.
Van de firma Thomassen & Drijver is hij.
Maar hij is dus geen hoogleraar.
Hij is niet in dienst geweest van de hoogschool.
Ik heb wel gelezen dat het een flamboyant type was.
Dus daar kun je je heel goed bij voorstellen.
Dat hij eruit gedaan heeft wat Kees vertelt.
Ik vind het wel mooi dat hij gewoon zo betrokken.
Die betrokkenheid voelt.
Dat hij 4000 gulden van zijn eigen geld inlegt.
Om de studenten aan de kampioenschappen mee te kunnen laten doen.
Door die steentjes te schenken.
Wat ik van hem gelezen heb.
Dat past daar heel goed bij.
Zo'n type was dat.
Heel leuk.
Kees vertelt dat er een sterke band is met professoren.
Maar dus ook andere leden die betrokken waren.
Hoe ervoor jij de betrokkenheid van docenten.
Of overige mensen bij de studenten en de verenigingen.
Je moet even bedenken dat dit gaat over de beginjaren van de universiteit, de hogeschool.
Het paste ook bij de campusfilosofie.
Er zat ergens met z'n allen op een landgoed tussen Hengelo en Enschede.
De studenten en docenten.
Dat was de bedoeling dat er interactie zou zijn tussen docenten en studenten.
Ook buiten het onderwijs om.
Bijvoorbeeld via de sportverenigingen.
en dat gebeurde ook wel
maar je moet denk ik ook wel bedenken
dat alleen de allereerste paar jaar
het geval was
want ik denk dat in de jaren 70 al
vastgesteld werd van ja dit concept
past eigenlijk niet meer in de
moderne tijd
maar inderdaad die verhalen die zijn er over betrokkenheid
van diverse personeelsleden
bij andere activiteiten
onder andere in sportverenigingen op de campus
ja heel leuk
ik moet zeggen dat ik dat nu inderdaad ook niet echt herken
dat nu nog heel erg betrokken is
Maar ik vind het wel heel mooi dat het toen ging nog echt heel erg om community building.
Precies.
En dat is wel echt heel erg gedaan.
Hoe sta jij daarin?
Nou ja, dat was inderdaad, want ik studeerde ietsje na die beginjaren.
Toen werd het al minder.
Maar ik denk dat er nog steeds wel een soort community gevoel bestaat op de campus.
Ik denk dat mensen zich nog steeds wel verbonden voelden met de Universiteit Twente.
Misschien minder sterk dan vroeger.
Maar nog steeds wel een beetje.
Bal voor Dirk, want die is nog steeds heel betrokken.
Ik denk dat we een heel goede voorbeeld hebben van mensen die nog steeds heel betrokken zijn bij de universiteit.
En die ook heel veel hebben bijgedragen aan de spuutsleven, studievereniging en sportverenigingen.
Die vandaag de dag dus nog steeds zichtbaar zijn.
Mocht je benieuwd zijn na de volledige interviews van de vier heren.
Deze staan in de show notes van deze aflevering.
Herman, bedankt voor je toevoeging en blik terug in de tijd.
Dankjewel, dat was mij genoegen.
Graag gedaan.
Ik vond het heel gezellig.
En we hebben ook een podcast gemaakt.
Specifiek over Jan Haars.
En deze staat ook beschikbaar in de show notes om te luisteren.
Mogen het de pioniers, de vormgevers en hun opvolgers gegeven zijn.
De Technische Hogeschool op 3-0 in de bandstad Twente.
Te zien uitgroeien tot een vast steunsel aan de onderhoud der vrijheid.
The End