In this A1 Dutch lesson called "Onderweg naar werk", Lisa and Maarten discuss daily routine. You'll pick up words like de fiets, de trein, de bus. Perfect for daily inburgering practice. More on inburgeringprep.com: DUO inburgering.
Grammar: zich wassen, zich aankleden and separable verbs like opstaan, aankleden, thuisblijven
Culture: dutch work-life balance
Same skill, exam format: schrijven examen A2.
Vocabulary from this episode — more: Dutch pronunciation
Perfect practice for inburgering exam listening comprehension at A1 level. Join Lisa and Maarten every day for bite-sized Dutch lessons.
Need inburgering prep? Begin with the study guides. And from there: inburgering practice exams.
Listen on other platforms:
🎵 Spotify
📺 YouTube
🍎 Apple Podcasts
🌐 Study more at the study guides
Lisa and Maarten are two friends who chat in simple Dutch about everyday life. Perfect for beginners learning Dutch. Short daily episodes with vocabulary, grammar tips, and cultural insights about the Netherlands. From greetings and food to Dutch traditions and daily life — learn Dutch by listening to natural conversations from A1 up to B2 level.
Hoi
Maarten!
Hoi
Lisa.
Goedemorgen.
Waar
ben
je?
Ik
hoor
geluid.
Ik
zit
in
de
trein.
Ik
ben
onderweg
naar
mijn
werk.
Oh
wacht,
ja
natuurlijk.
Het
is
ochtend.
Ja,
het
is
vroeg.
En
jij?
Ben
jij
ook
onderweg?
Nee,
ik
zit
nog
thuis.
Ik
drink
koffie.
Ik
werk
vandaag
thuis.
Ah,
lekker
makkelijk.
Jij
blijft
vandaag
dus
thuis.
Ja,
precies.
Geen
stress.
Hoe
laat
sta
jij
op?
Ik
sta
om
zes
uur
op.
Zes
uur!
Dat
is
super
vroeg.
Echt
niet.
Ja,
ik
was
me
en
daarna
kleed
ik
me
aan.
Dat
gaat
snel.
En
dan?
Ontbijt?
Ja,
ik
eet
een
broodje.
En
ik
drink
thee.
Dan
ga
ik
reizen.
Hoe
reis
jij
naar
school?
Met
de
auto?
Nee,
niet
met
de
auto.
Ik
heb
geen
auto.
Oh
ja,
dat
is
waar.
Lekker
rustig.
Ja.
Ik
ga
eerst
met
de
fiets
naar
het
station.
Is
dat
ver?
Nee,
het
is
dichtbij.
Ongeveer
tien
minuten.
Dat
is
snel.
Mijn
kantoor
is
ook
dichtbij.
Ik
kan
ook
met
de
fiets.
Oh,
waarom
neem
je
dan
de
bus?
Hm,
goede
vraag.
Ik
ben
een
beetje
lui
soms.
Gaat
lekker.
Haha,
ja
precies.
Na
de
fiets
neem
ik
de
trein.
En
is
de
trein
ook
snel?
Meestal
wel.
De
reis
duurt
twintig
minuten.
Soms
is
de
trein
langzaam.
Of
heel
vol.
Ja,
dat
is
niet
leuk.
Sta
je
nooit
in
de
file?
Nee,
gelukkig
niet.
Met
de
fiets
en
de
trein
heb
je
geen
file.
Dat
is
een
groot
voordeel.
Ik
haat
de
file.
Het
is
zo
saai.
Ik
ook.
En
jij?
Als
je
naar
kantoor
gaat?
Ik
neem
de
bus.
De
bus
is
soms
een
beetje
langzaam.
Zeker
in
de
ochtend.
Ja,
dat
klopt.
Maar
Utrecht
is
niet
zo
groot.
Het
is
oké.
Dat
is
waar.
Reizen
in
Rotterdam
is
erger.
Veel
meer
auto's.
Ik
vind
'onderweg'
een
mooi
woord.
Oh
ja?
Ja.
Het
betekent
dat
je
reist.
Je
bent
niet
thuis
en
niet
op
je
werk.
Ja,
precies.
Je
bent
ertussenin.
Onderweg.
En
'dichtbij'.
Dat
is
het
tegenovergestelde
van
'ver'.
Dat
klopt.
Mijn
school
is
dichtbij
het
station.
Dus,
we
praten
over
de
ochtend.
Over
opstaan
en
aankleden.
Ja,
en
over
reizen
naar
het
werk.
Met
de
fiets,
de
trein
en
de
bus.
Zonder
file.
Dat
is
het
beste.
Zeker.
Oh,
ik
ben
er
bijna.
Ik
moet
gaan.
Oké,
werk
ze!
Tot
horens.
Ja,
jij
ook.
Doei!
Doei!